Min of meer: Vragen

Column: Vragen
Door: Paul Jansen

Het is bijna onmogelijk om nu niets te zeggen over racisme. De achteloze, terloopse manier waarop een witte politieman in Amerika een zwarte man om het leven bracht, was schokkend. In de Volkskrant van afgelopen zaterdag stond een foto die alles vertelde wat verteld moest worden. De knie vol in de nek, het verkrampte gezicht van George Floyd, de arrogante blik van Chauvin recht in de camera, zijn hand op het gemak in de zak van zijn broek. Hij kwam de tijd wel door. Terecht dat daar een storm van protest van kwam.

Die leidde er weer toe dat in de media een voor mij cruciale vraag opdook: Hoe werkt dat eigenlijk bij mij? Wanneer hoort iemand er wat mij betreft bij? Wanneer ben ik geneigd iemand uit te sluiten? Hoe werkt dat als ik macht heb en hoe als ik de mindere ben? Het zijn ontzettend lastige vragen. Ik leef nou eenmaal in een bepaalde omgeving. Die is vooral wit, relatief goed opgeleid en behoorlijk goedaardig, welwillend en niet tot afwijzen geneigd. Iedereen is welkom. Maar, eigenlijk ben ik nooit echt getest als het op racisme aankomt. Niet in de dagelijkse praktijk in elk geval. Ik kan makkelijk zeggen dat ik tegen racisme ben. Dat is op zich waardevol, zeker omdat er lieden zijn die – openlijk dan wel verholen – wél racistisch zijn.

Toch, wat zich de afgelopen weken heeft afgespeeld, heeft bij mij zijn uitwerking niet gemist. Ik ben me nog bewuster geworden van de situatie van mensen met een andere huidskleur dan ikzelf heb. Hun dagelijks leven is een stuk minder comfortabel dan het mijne. Ik heb toespraken gehoord, interviews gelezen, beelden gezien en die hebben me geleerd dat steeds maar weer aangesproken worden op je huidskleur het vertrouwen dat je ertoe doet en erbij hoort, ondermijnt. Dat dat je zelfvertrouwen aantast, je verdrietig maakt, je kwaad maakt.

En dat, dat moeten we elkaar niet aan willen doen.

Ik sprak – jaren geleden alweer – een oude dame die, nadat ze net weduwe was geworden, op bezoek ging bij haar dochter in Tanzania. Het was ergens aan het eind van de zeventiger jaren. Toen ze terugkwam in Nederland ging een van de verhalen die ze steeds weer vertelde over haar aankomst op de luchthaven van Dar es Salaam. Daar had ze alleen maar zwarte mensen gezien. Alleen maar zwarte mensen. Zij was de enige witte. Ze vertelde er altijd bij dat ze het eng had gevonden, dreigend, unheimisch, angstig. Ze had zich daar heel eenzaam gevoeld.

In zo’n verhaal zit van alles en nog wat. Het zegt dat de enige zijn ongemakkelijk is. Het zegt dat ze een bepaald beeld had van zwarte mensen. Het kan zijn dat ze zich als vrouw alleen niet echt veilig voelde. Het zegt dat een situatie waarin mensen met elkaar moeten verkeren en waarin de culturele verschillen groot zijn, complex is. Belangrijk is dat ze een aantal weken heel erg heeft genoten van de Afrikaanse sferen, het jonge gezin van haar dochter, de vriendelijke mensen in Mwanza en dat ze vol verhalen thuiskwam. Ze had er bijgehoord.

Lees vorig bericht

Hulpdiensten naar zwembad Geulle

Lees volgend bericht

Tractor gestolen in Geulle