COVID-19

Er kwam een brief van een gehoorspecialist. Ik kon geheel gratis een zeer geavanceerd en niet al te prijzig gehoorhulpmiddel testen. Dat leek me wel wat. Ik was niet echt tevreden over de apparaatjes die ik heb en aan gratis kun je je over het algemeen geen buil vallen. Een afspraak was snel gemaakt. Dat ging via een website waar je zelf een tijd van je keuze kon invullen. Twee dagen later kreeg ik een telefoontje. Of ik ook op een andere tijd zou kunnen. Ik vroeg me af waarom de gehoorspecialist een online afsprakensysteem had opgetuigd. Maar, ik realiseerde me ook dat ik me vaak dingen afvraag die me geen steek verder helpen. Want nog vaker zijn de dingen gewoon zoals ze zijn. Vroeger zeiden mensen dan dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn. En zelden aangenaam, kwam daar dan soms nog achteraan. Die wetenschap hield je weg van vruchteloos nadenken. Toen ik op de afgesproken tijd op de deur van de gehoorhulpmiddelenwinkel klopte – de bel deed het niet of ik hoorde hem niet – keek achterin de zaak een man van achter een bureau en een mondneusmasker enigszins verstoord op. Had hij mij wel verwacht, vroeg ik mij af. Tegelijk zei mijn innerlijke ander: Indien niet, wat dan nog? Lang verhaal kort. In welke situaties ik vooral gehoorhulpmiddelen nodig had, vroeg de man. Ik zei: Op drukke recepties, in het theater en tijdens vergaderingen als iemand naast me iets in mijn oor fluistert. Tja, zei de man, dan heeft een proefperiode niet zoveel zin. Dat zijn namelijk precies de situaties die zich nu, met COVID-19, niet voordoen. En daar had hij gelijk in.

Als je dit leest, zit Vastelaovend er alweer op. Het is Aswoensdag. En terwijl ik dit schrijf, moet het feest nog beginnen. Ik heb er weinig tot helemaal niks mee. Ik begrijp het wel maar ik voel het niet. Dat vat het wel zo’n beetje samen. Misschien komt het doordat ik boven de rivieren en dan ook nog in het westen van het land geboren ben, misschien omdat ik er de aard niet voor heb. Of door een combinatie van beide. Ik woonde gedurende de laatste vier jaar van mijn middelbareschooltijd in Maastricht. Eén keer ben ik Vastelaovend gaan vieren. Met een Groucho-Marx-wenkbrauwen-bril-neus-snor-combinatie op. In de Dominicanerkerk. In die tijd – voor zover ik me herinner – nog een grote holle ruimte met een rijk verleden maar zonder enige toekomst. In ben daar toen niet verder gekomen dan het met wildvreemden lopen van de polonaise, door bier op eeuwenoude zerken. Ondertussen zongen we Verkespuu die waggele in de sjuu, of in elk geval iets dat daar dichtbij in de buurt kwam. Een tekst die ik overigens wel kon waarderen en die zelfs daar en op dat moment door het meezingen ervan ook nog énige zin aan mijn leven leek te geven. Toen ik na afloop van het feest naar huis liep, miezerde het. Neemt niet weg dat ik ook dit jaar weer de vastelaovendsvlag aan de gevel gestoken heb. Ik voel me daarbij dan wel wat vals en onthand, dit jaar des te meer omdat ik even dacht: Zal ik hem vanwege COVID-19 en het 2021-verdriet van de échte vierders halfstok hangen? Maar dat vond ik toch niet passend.

Vinkmag ad

Lees vorig bericht

NU LIVE: De top 111 Aller Tieje – 2018

Lees volgend bericht

VV Bunde verlengt contract met trainersstaf