Paradijsje

Tweede Pinksterdag, het was lastig wakker worden vanochtend. Nog laat naar een film zitten kijken. We laten ons steeds vaker verleiden klassiekers nog maar weer eens uit te zitten. Het is het gevoel van vroeger dat dan even terugkomt. We zouden het verleden te gemakkelijk loslaten als we het niet nog eens laten binnenkomen. Gisteren hebben we met de kinderen en kleinkinderen met een feestelijke lunch met de geur van versgebakken brood en later op de dag een stevig avondmaal met een massieve tête de veau afscheid genomen van het Huis in het Zuiden. Zo heet in de volksmond van ons gezin het huis waarin we nu nog wonen. Het is bijna een eigenzinnig medemens in ons leven dat sinds kort steeds nadrukkelijker vraagt om een kleiner huis, zonder tuin en met de kruidenier echt lekker dichtbij. En minder eigenzinnig. Overzichtelijk dus en liefst dichter bij kroost en kleinkroost. We zijn hier veertien jaar geleden komen wonen na een snel besluit. We wilden toch zo graag nog een tijdje terug naar de streek van onze jeugd? Dat kon op dat moment. We hadden er echt zin in. En dus gingen we op zoek naar een huis in het zuiden. We vonden het aan de rand van het Heuvelland, op de grens van Meerssen, nog niet bekend met prachtige namen als Kalverbos, Vogelzang en Watervalderbeek. Dat alles direct om de hoek, aan onze voeten, een lust voor het oog, zachte zalfjes voor de stadse ziel.

Als ik ’s morgens op de rand van mijn bed zit kan ik uitkijken over de weide tegenover het huis. Soms neem ik daarvoor de tijd. Zoals wanneer het een dag van lastig wakker worden is. Op het eerste gezicht gebeurt daar zelden wat. Soms staan er wat paarden of de eigenaar is bezig de meidoornhaag te kortwieken. Dan horen we vanaf een uur of zes de heggenschaar open en dicht gaan. Of er hangt een buizerd boven, op zoek naar een maaltje muis. Een keer, helaas maar één keer, zag ik er een hermelijn in winterkleed. Maar, altijd zijn er de mussen. Ze nestelen op wel vijf, zes plaatsen onder de pannen van ons huis. En in deze tijd van het jaar vliegen ze onophoudelijk heen en weer tussen goot en weide. Een stelletje heeft de gewoonte om opgestegen vanuit de goot steeds op dezelfde paal te landen. Die steekt uit boven het lage deel van de meidoornhaag en krijgt beschutting van een hoger deel. Het is een veilig plekje van waaruit ze goed zicht hebben op de omgeving waarin ze hun voedsel vinden. Ik kan er uren naar kijken. Bij wijze van spreken dan. Er moeten immers altijd meer en nuttiger dingen op een dag. Nu is dat vooral veel wegdoen. Vooral weten wat we zeker nog nodig hebben en ons tegelijkertijd realiseren dat we onderaan de streep ook heel goed zonder kunnen. Het meeste blijkt gewoon maar spul. Wat we zeker zullen missen zijn het Kalverbos, Vogelzang en de Watervalderbeek. En ik vooral ook de rand van mijn bed met zicht op de weide.

Lees vorig bericht

Huisbibliotheekjes steeds populairder

Lees volgend bericht

BRUG-M waarschuwt Provincie voor gevaar op belangenverstrengeling